|
||
zondag 25 april 2010 |
![]() ![]()
|
|
Blekerijen en wasserijen Na het dubbelklikken op een foto kan het even duren voordat de foto op het juiste formaat weergegeven wordt.
Bovenstaande afbeelding is afkomstig uit de
verzameling van vader Jan en zoon Caspar Luyken welke
bestaat uit 100 etsen
van beroepen met daarbij moraliserende rijmpjes en
dateert van omstreeks
1690.
''De
wassters en bleekster "
[7] Bij de hofstede Betlehem in Hillegom was ook een garenblekerij die ‘’ten eeuwigen dage vrije waterlozinge had op de sloot, genaamd de Stinkert’’. [8] Het doel van bleken is het linnen of garen met een roodachtige gele tint te veranderen in een prachtig wit product. Het gehele proces kende de volgende (15) fasen : merken, sorteren, wegen, logen, spoelen, wringen, besproeien, melken of zuren, spoelen, wringen, blauwen, drogen, wegen, verpakken en verzenden. Nadat het linnen gemerkt was ter identificatie werd het gesorteerd en gewogen, het bleekloon hing samen met het gewicht. In het looghuis werd het linnen in koperen ketels samen met as (zuiver uitgegloeide as van naald - of eikenhout) en water verhit tot het kookpunt. De uitdrukking ‘’uitgekookt zijn’’ is hiervan afkomstig. Daarna werd het geloogde linnen meermalen gespoeld in houten kuipen tot het wit genoeg was. Dan werd het gewrongen in de bok, een apparaat dat buiten stond en waarmee het overtollige water uit het linnen werd geperst. Op de bleekvelden, kort afgemaaide grasvelden, werd het linnen uitgelegd en van tijd tot tijd besproeid met het heldere duinwater met behulp van houten hoosspanen. Door het zuren of melken werden de nog aanwezige kalkresten verwijderd en kreeg het linnen een beter kleur. Daarvoor werd melk gebruikt die eerst verzuurd was door verwarming in melktorens in het melkhuis. Daarna werd het linnen weer gespoeld en gewrongen. Het doel van het blauwen was de gelige tint weg te krijgen. Er werd blauwsel voor gebruikt, een gemalen kobalt, dat in speciale blauwselmakerijen werd gemalen. U kent het nog wel : het zakje ‘’Reckitt’s Blue’’ van vroeger voor de was. Tenslotte werd het linnen naar de droogberg of hang gebracht, meestal een hoog gelegen stuk duin, om het op hangpalen of stekken te laten drogen. Dan werd het opnieuw gewogen en verpakt in blauw papier verzonden. Het hele proces nam zo ’n twee tot drie maanden in beslag. Het proces bij garen kwam globaal op hetzelfde neer. [9] Het bleekseizoen liep van 25 maart tot september en de seizoenarbeiders kwamen uit het hele land en ook uit Westfalen. Omstreeks 1700 waren er wel 400 ‘’gastarbeiders’’ die er een luchtige levensstijl op na hielden. Het ging er opgewekt aan toe met als gevolg van die zomerse samenleving talrijke defloratie- en alimentatieprocessen. En ook waren er regelmatig vechtpartijen tijdens de kermis en ook diefstallen en jachtovertredingen. Daar zullen de ’s Gravenmades ook wel mee te maken gehad hebben. En ’s Gravenmades met lekkere dochters helemaal.
[10]
Aan het einde van de 16e eeuw was het blekersbedrijf een
belangrijke tak van nijverheid. Het werk op de blekerijen werd vooral
door vrouwen gedaan, ook het zware werk. De meeste blekerijen lagen in
Lisse, Hillegom, Oegstgeest en Katwijk, in Aerdenhout / Bloemendaal
waren er zelfs wel veertig. Het veeteeltgebied achter de duinen leverde
de melk en het grasland kon als bleekveld gebruikt worden. De
bleekvelden waren omgeven door hagen om loslopende dieren buiten te
houden. Anders krijg je zo’n lelijk patroon op je linnen.
Omstreeks 1800 waren veel blekerijen en wasserijen verdwenen door de
concurrentie in het oosten van het land en in het buitenland. Men is
toen deels overgestapt op de ‘’gewone’’ wasserij voor de stadsmensen.
Of mijn voorgeslacht zich met deze ‘’tak van sport’’ heeft beziggehouden
is mij niet bekend. Van 1817 tot 1932 was er een wasserij / blekerij in
Overveen in het bezit van de familie Gehrels. Het was de laatste
wasserij in Nederland die op paardenkracht werkte. Gegoede burgers
lieten hun was eens per kwartaal of half jaar ophalen door wasserijen
buiten de stad. De wasserij bracht de was naar keuze van de klant droog,
nat of kastklaar terug. In de wasserij (in het Openluchmuseum in Arnhem)
is het hele proces stap voor stap te zien. De was werd eerst gesorteerd,
een vies en onhygiënisch werkje. Daarna werd het gewassen in
stampkuipen. Een paard in de rosmolen dreef de stampers aan. Vervolgens
ging de was op grote kruiwagens naar de bleekvelden om in de zon te
bleken. De spoelsters spoelden daarna de was nog eens schoon in ijskoud
water. Tenslotte werd de was gedroogd, gemangeld, gestreken en gevouwen.
Terug naar Achtergrondinformatie [1] Bron : De Duin- en Bollenstreek in caert gebracht, J.J.J.M. Beenakker [2] Bron : 750 jaar kerk in Hillegom, J.J.J.M. Beenakker [3] Bron : Lisse op de grens van droog en nat, J.J.J.M. Beenakker [4] Bron : Hillegomse Geschiedenissen, A.M. Hulkenberg [5] Bron : ‘t Vermaaklijk Hillegom, A.M. Hulkenberg, uitgeverij Repro-Holland, Alphen a/d Rijn, 1972 [6] Bron : Heemstede in de historie, Leven, werken, handel en koehandel in de woonplaats van Emece, mr. JW Groesbeek [7] Bron : ’t Vermaaklijk Hillegom, A.M. Hulkenberg, uitgeverij Repro-Holland, Alphen a/d Rijn, 1972 [8] Bron : Bijvoet, een blekersfamilie, W.Post [9] Bron : Geschiedenis van Bloemendaal en Aerdenhout, Mr. C.W.D. Vrijland e.a. [10] Bron : De Duin- en Bollenstreek in vogelvlucht, landschap, leven en werken omstreeks 1800, J.J.J.M. Beenakker
Bezoekersteller
|
Deze pagina is voor het laatst bijgewerkt op 12/08/09