|
||
14/07/11 |
![]() ![]() |
Gezondheidszorg en hygiëne. Na het dubbelklikken op een foto kan het even duren voordat de foto op het juiste formaat weergegeven wordt.
naar Kennis en behandeling
van ziekten Epidemieën en ziekten [2]Vanaf circa 1350 kan de pest, bij elkaar opgeteld, wel eens 30 tot 50 procent van de bevolking gekost hebben.
[3] In 1635 overleden
er in Leiden meer dan 20.000 inwoners aan de pest. Kennis en behandeling van ziekten [4] ‘’ In de Middeleeuwen (400 tot 1550) had men drie soorten verklaringen voor ziektes. De meest waarschijnlijke was de bovennatuurlijke verklaring : de straf van God. Daarom riep men de hulp in van heiligen, op wier voorspraak bescherming of genezing kon worden verkregen. Een andere verklaring werd gezocht in complotten, meestal van joden. Omdat ziektes onder hen soms veel minder slachtoffers maakten, zouden zij de waterbronnen vergiftigd hebben. Waarschijnlijker is natuurlijk dat veel orthodoxe joden zich strikt aan hun eigen hygiënevoorschriften hielden en daardoor minder vatbaar waren. De derde verklaring werd gebezigd door meer wetenschappelijk ingestelde Middeleeuwers. Zij baseerden hun opvattingen op de onfeilbaar geachte theorieën van Galenus, een Romein uit de 2e eeuw. In navolging van de Griek Hippocrates (4e eeuw v. Chr.) had hij uiteengezet dat het menselijk lichaam uit vier soorten vloeistof bestond : slijm, bloed, zwarte gal en gele gal. Als de hoeveelheden van deze sappen met elkaar in balans was, was je gezond. Zo niet, dan moest er afgetapt worden. Meestal dacht men dat er te veel bloed was en liet men dat aftappen via bloedzuigers, waarvoor speciale kwekerijen bestonden, of door middel van aderlating.’’ [5] De medische kennis was in de Middeleeuwen zeer beperkt en ziekte en dood waren overigens het terrein van God. Er waren twee soorten geneeskundigen.
Er waren de theoretici, de doctores medicinale, volgens hen werden ziekten veroorzaakt door wijzigingen in warmte, koude, droogte of vochtigheid. Daar werden bovendien demonen, geesten en allerlei bijgeloof aan toegevoegd. Problematisch in verband met deze gebrekkige kennis van ziekten was dat contacten tussen geleerden onderling erg moeizaam verliepen.
Naast deze officiële
geneeskundigen stonden de barbiers-chirurgijnen als practici klaar
om de mensen te helpen. Deze chirurgijnen deden allerlei ingrepen
met het mes, verzorgden wonden en zweren, behandelden breuken en
voerden ook amputaties uit. Er was geen contact tussen de doctores
en de chirurgijnen. Eén van de gevolgen van deze geringe medische
kennis was dat voor de middeleeuwer het begrip ‘’dood zijn’’ breder
werd opgevat dan nu het geval is. Zo zijn er verscheidene gevallen
bekend waarbij het slachtoffer even goed bewusteloos of schijndood
kan geweest zijn. [7] In de 17e en 18e eeuw waren er drie groepen geneeskundigen : de bevoegde doktoren en chirurgijns, de rondreizende meesters en de kwakzalvers [8]. De rondreizende meesters waren soms niet veel meer dan kwakzalvers, die op de kermissen en jaarmarkten hun praktijk uitoefenden. Over bevoegden wordt ook wel eens gezegd : ‘’ Zonder ernstige studie na een schijnpromotie tot doctor medicinale bevorderd, begaven niet weinigen zich in de praktijk’’. De rondreizende meesters deden vooral de handelingen die de doktoren en chirurgijns weigerden vanwege het hoge risico (geen narcose en antiseptische middelen) of omdat ze zich er te goed voor achtten : behandelingen die veel durf en technische vaardigheid eisten, als breuk-, steen- en staaroperaties. In het midden van de 18e eeuw gingen ook de chirurgijns deze operaties doen en werden de rondreizende meesters langzamerhand overbodig.
De Spaanse griep maakte in het laatste jaar van de eerste
wereldoorlog zeker twintig miljoen dodelijke slachtoffers over de
wereld. Volgens sommige bronnen was het een veelvoud hiervan. De
griep eiste minstens tweemaal zoveel slachtoffers als de oorlog
zelf.
En zo werd je als overledene vroeger naar je ''laatste rustplaats''
vervoerd.
Bron : het boek ''Van Marke naar Maatschap, 150
jaar landbouw in Haaksbergen''. In de late Middeleeuwen (1300 tot 1550) waren er in de Nederlandse steden zeepzieders, zij bereidden een soort zeep te vergelijken met de, ons bekende, zachte groene zeep. Dit wijst erop, dat er in die tijd aandacht was voor hygiëne en de reinheid van het lichaam van belang werd geacht.
Prent door Thomas van der Noot genaamd 'Interieur van een
badstove '
uit : Er waren openbare badhuizen, de zogenaamde ‘’badstoven’’, met koud- en warmwaterbaden en zelfs stoombaden. Men was niet preuts, gemengd baden onder het genot van spijs en drank was ‘’in’’ en er waren zelfs beddesteden.
'' Je sjouwt je nog eens een bult aan dat water ! Begrijpelijk dat mensen er zuinig mee omspringen – ’s morgens zo’n beetje poedelen en klaar is kees. Ze zijn properder op hun huis dan op hun lijf. Ja, als het dan
echt niet anders kan dan maar een keer in de houten ‘’teijl’’. Maar veel
aardigheid is daar niet aan om in je eentje af en toe een pollepel water
over je kop te gieten. De losse zeden waren een doorn in het oog van de overheid en er werd bepaald, dat in ‘’eene eerbare vrouwen stove dair ghene mannen ingaen en sall laeten uitgesecht echte mannen ende huysvrouwen samen’’. In de ‘’mannenstoven’’ was vrouwelijk personeel niet gewenst (‘’sullen ghene megeden holden, die tot quaden geruchte staen’’) en vrouwen mochten zich daar niet ophouden ‘’op verbeurte’’ van een grote boete. Gingen onze voorouders, wonend op het platteland en in het dorp, regelmatig naar de stad om mee te genieten ? Ze gingen wel elke week naar de markt in de stad !!!! En kwamen heel vrolijk en voldaan terug.
[9] ‘’Regelmatig
werden po’s op de openbare weg geleegd, soms zelfs zonder dat men
zich afvroeg of iemand iets over zich heen zou krijgen. Maar in het
propere Nederland kon men wel een schadevergoeding krijgen als men
bevuild was door de troep die uit de ramen gegooid werd. ’’
Ook in Hillegom namen ze het niet zo nauw bij het gebruik (zeg maar
misbruik) van de Hillegommer Beek. In de Gouden Eeuw (circa 1585 – 1685) was
properheid en schoonmaken een fobie. Katten en honden werden niet
als huisdier gehouden vanwege het ongedierte. Het verhaal gaat, dat
een struise dienstmeid een bezoeker, met schoenen die niet erg
schoon waren, over haar rug gooide en onderaan de trap weer
neerzette, hem sloffen aandeed en zei dat hij naar binnen mocht. De
schoonmaakwoede werd verwoord in het volgende gedicht :
[10] ‘’ Sinds de
Zwarte Dood van 1347-1351 rees het vermoeden dat openbare badhuizen
ziekten vergemakkelijkte. Door het contact met water en stoom
verwijden de poriën zich en konden ziektekiemen het lichaam
binnendringen en lichaamsvochten (slijm, bloed, zwarte gal en gele
gal) ontsnappen. Baden werd dan ook alleen als kuur gedaan en men
waste alleen handen en mond met water. Lodewijk XIV (de
Zonnekoning van 1638 tot 1715) heeft tijdens zijn leven (64 jaar
lang) slechts één keer een bad genomen om therapeutische redenen.
Hygiëne werd geassocieerd met het opdrogen van zweet en het masseren
van de huid met parfum en poeders. Ondergoed werd vaak verschoond om
het lichaamsvuil te verwijderen. De witheid van het ondergoed was
een bewijs van reinheid en daarom kwam het showen van witte
manchetten en kragen in de mode, hoewel ze weinig zeggen over de
hygiëne van het ondergoed. Maar wit ondergoed van goede kwaliteit
was exorbitant duur. Een handwerker moest 14 dagen werken om een
hemd te kunnen kopen. Volgens de etiquettehandboeken diende men één
keer per week de onderbroek te verschonen, maar eenmaal per 4 weken
was geen uitzondering. ’’ [12] In de 18e eeuw werd men ‘’beschaafd’’, men spuugde niet meer op de grond binnenshuis, maar gebruikte voortaan de ‘’kwispedoor’’. [13] ‘’ Een voorstel om alle studenten, nadat zij met hun vingers in een lijk hadden gezeten, hun handen te laten wassen voordat zij een zwangere vrouw onderzochten werd rond 1850 nog afgewezen. Men werd dat ‘’ongezonde handen wassen moe’’. ‘’ [14] ‘’ Eeuwenlang conserveerde men voedsel door het te drogen, te pekelen, te roken of in te kuilen. Pas in de 19e eeuw ontstonden nieuwe inzichten. In antwoord op een prijsvraag van Napoleon, die zijn soldaten nogal eens zag doodgaan aan scheurbuik en voedselvergiftiging, experimenteerde een Franse kok met het verhitten van voedsel in gesloten glazen vaten – met verbluffend resultaat. Een landgenoot van hem ontdekte kort daarna dat verhitten in tin nog beter werkte, waarmee de basis gelegd werd voor het conservenblik. In diezelfde tijd legde Louis Pasteur de wetenschappelijke basis voor het naar hem genoemde pasteuriseren. In het derde kwart van de eeuw ontwikkelde de Fransman Charles Tellier methoden om voedsel juist onder zeer lage temperaturen te bewaren, zodat hij wel de ‘’ vader van de diepvries’’ genoemd kan worden. Aan het einde van de 19e eeuw kwam tenslotte het ‘’wecken’’ van groente op.
En nog niet zo lang geleden zag de ''poepdoos'' er zo uit.
Bron : het boek ''Van Marke naar Maatschap, 150 jaar landbouw in Haaksbergen'', uitgegeven door het Historisch Centrum Haaksbergen.
[1] Bron : De houding van de middeleeuwse mens tegenover ziekte, lijden en dood van kinderen op basis van Middelnederlandse mirakelboeken, Karen Dochez [2] Geschiedenis Magazine juli 2006 (voorheen Spiegel Historiael) [3] Oog in oog met het verleden : de vaderlandse geschiedenis in 91 verhalen, Willem Velema [4] Bron: Verre Verwanten, R. van Drie en K. Noorda, Teleac / Kosmos – Z & K, Utrecht, 2005, in samenwerking met CBG [5] Bron : De houding van de middeleeuwse mens tegenover ziekte, lijden en dood van kinderen op basis van Middelnederlandse mirakelboeken, Karen Dochez [6] Bron : Een kind onder het hart. Verloskunde, volksgeloof, gezin,seksualiteit, en moraal vroeger en nu. H.M. Dupuis, K.Boer, C. Naaktgeboren en D.J. Noordam [7] Bron : Komt dat zien, de Amsterdamse kermis in de 19e eeuw, M. Keyser, 1976, uitgever Amsterdam [8] Kwak = een beetje, zalven = opknappen, eigenlijk betekent het ‘’met huismiddeltjes opknappen’’. [9] Bron : Thuis in Europa / Wonen, eten en kleden in Europa van 1500 tot 1800, Raffaella Sarti [10] Bron : Thuis in Europa / Wonen, eten en kleden in Europa van 1500 tot 1800, Raffaella Sarti [11] Bron : tentoonstelling ‘’Toen mijn moeder aan de wasch was’’ in verpleeghuis Eugeria te Almelo in augustus / september 2007. [12] Bron : Op zoek naar het historisch interieur, M.Zeilmaker [13] Bron : Een kind onder het hart. Verloskunde, volksgeloof, gezin,seksualiteit, en moraal vroeger en nu. H.M. Dupuis, K.Boer, C. Naaktgeboren en D.J. Noordam [14] Bron: Verre Verwanten, R. van Drie en K. Noorda, Teleac / Kosmos – Z & K, Utrecht, 2005, in samenwerking met CBG
Terug naar Achtergrondinformatie Bezoekersteller(sinds 9-3-2007) (Startdatum site 11-2-2007)
Deze pagina is voor het laatst bijgewerkt op 14/07/11
|
|