25/04/10 |
![]() ![]() |
Welgeborenen Hier volgt eerst een korte omschrijving van het begrip ''Welgeboren'' door Drs. M. Van Bourgondïen in het artikel ''De welgeboren familie Duycker uit Lisse'' in het Nieuwsblad van de Vereniging Oud Lisse, oktober 2007. Welgeborenschap in de vijftiende en zestiende eeuw Volgens de meest gangbare opvatting van dit moment hield welgeborenschap in het vroegere graafschap Holland verband met een oude adellijke afstamming.[i] Welgeborenschap vererfde mmestal alleen in mannelijke lijn, en iemand werd alleen tot de welgeborenen gerekend als hij kon aantonen dat zijn vader, grootvader en overgrootvader eveneens welgeboren waren. Op maatschappelijk en economisch gebied waren er maar weinig verschillen tussen de welgeborenen en de andere dorpsbewoners (die ook wel ‘huislieden’ werden genoemd). Zo oefenden veel welgeborenen ‘gewoon’ het beroep van landbouwer uit. Hoewel zij niet meer in staat waren om er een adellijke levensstijl op na te houden, hadden welgeborenen vanwege hun adellijke afkomst tot in de zeventiende eeuw nog wel bepaalde voorrechten. De belangrijkste voorrechten waren van financiële aard. Welgeborenen genoten namelijk diverse belastingvrijstellingen. Belastingen (zoals de buitengewone bede, die ten goede kwam aan de graaf van Holland) werden in deze tijd veelal omgeslagen over de hele dorpsgemeenschap. Hoe meer welgeborenen er in een dorp woonden, hoe zwaarder de financiële lasten voor de andere dorpsbewoners waren. Er werd dan ook scherp in de gaten gehouden dat niemand ten onrechte welgeborenschap claimde.[ii] Na verloop van tijd gingen ook de financiële lasten van de welgeborenen omhoog. Vanaf de vijftiende eeuw werden hun voorrechten op financieel gebied namelijk steeds verder ingeperkt. Een ander voorrecht van de welgeborenen betrof de rechtspraak. Huislieden vielen onder de jurisdictie van zowel de schout als de baljuw. Welgeborenen mochten in de vijftiende en zestiende eeuw daarentegen alleen worden berecht door de baljuw en zijn mannen. Het ging daarbij om berechting door standgenoten, want welgeborenen hadden de plicht om samen met de baljuw recht te spreken. Dat ging niet altijd van harte. Af en toe wordt namelijk melding gemaakt van personen die werden beboet omdat zij zich onttrokken aan deze verplichting. Toch bleven welgeborenen tot in de zeventiende eeuw op deze manier bij de rechtspraak betrokken. Zo zijn er van het baljuwschap van Noordwijkerhout (waartoe ook Lisse behoorde) lijsten bewaard gebleven uit circa 1620 waarop per dorp de volwassen welgeboren mannen worden vermeld. Op basis van deze lijsten werden de personen geselecteerd die samen met de baljuw recht moesten spreken. Naast voorrechten hadden de welgeborenen ook verplichtingen. De plicht om samen met de baljuw recht te spreken kwam hierboven reeds ter sprake. Daarnaast dienden zij de graaf van Holland militair ter zijde te staan. Deze dienstplicht vormde aanvankelijk de belangrijkste verplichting voor de welgeborenen. De krijgsdienst kon echter worden afgekocht, dus in oorlogstijd hoefde lang niet iedere welgeborene samen met de graaf ten strijde te trekken. Toen de graaf van Holland op den duur steeds meer gebruik ging maken van huurlegers, raakte de militaire rol van de welgeborenen uitgespeeld. [i] Antheun Janse, Ridderschap in Holland. Portret van een adellijke elite in de late Middeleeuwen (Hilversum 2001) 45. [ii] Bert Koene, “Welgeboren in Holland”, in: Jaarboek Centraal Bureau voor Genealogie deel 51 (Den Haag 1997) 3-49, aldaar 11. Hierna wordt er uitvoerig stilgestaan bij het begrip welgeborenen, er staan immers de nodige ’s Gravenmades ‘’te boek’’ als welgeboren. Dat is niet zo verbazingwekkend aangezien in de Middeleeuwen [1] 5.5 tot 6.0 procent van de bewoners welgeboren was. [2] Over het begrip welgeboren zijn de geleerden het niet eens. Nu volgen een aantal visies op het begrip en ook wordt ingegaan op de privileges en plichten van de welgeborenen. In zijn
boek “Ridderschap in Holland” schrijft Antheun Janse het
navolgende over de welgeborenen : het is geen stand en het is
geen klasse, hij geeft daarbij een verantwoording over de beide
mogelijkheden. Een stand ontstaat door een formele toelating of
je behoort ertoe door geboorte, het heeft een juridisch statuut,
een economische positie en geeft een sociaal prestige. Een
Klasse heeft een vrije toegang, komt voort uit een economische
positie, het geeft status en uiteindelijk geeft het een
juridisch statuut en wordt daar afkomst aan verbonden. Dit wordt
geïllustreerd door het simpele feit dat wilde je tot de
ridderschap worden gerekend en had je goed geboerd, dan kocht je
een paard en wapenuitrusting en dan werd je door jouw omgeving
tot de ridderschap gerekend, je was dan overigens geen adel.
’’
Er waren toen goed boerende ’s Gravenmades en die hadden wel
meer dan één paard, dus even een wapenuitrusting kopen bij de
Makro en ridder Schrama is ‘’geboren’’. [4] ‘’ Immink was van mening, dat het begrip ‘‘welgeborenen’‘ niet alleen voor geprivilegieerde boeren, maar, zeker in de 14e eeuw, ook voor ridders werd gebruikt en dus mede betrekking had op feodale [5] edelen. Hij concludeerde dat het bestaan van een omvangrijke ‘‘boerschen adel’‘ niets anders was dan een degeneratieproces dat zich altijd en overal voordoet waar een stand zijn functionele bepaaldheid gaat verliezen om tenslotte voort te bestaan in een alleen door ‘‘geboorte’‘ bepaalde maatschappelijke groep. Imminks opvatting heeft school gemaakt. Vrij algemeen is tegenwoordig de mening dat de Hollandse welgeborenen in feite afstammelingen waren van ridderlijke voorouders, die voor een deel de ridderlijke levenswijze van hun voorgeslacht hadden moeten opgeven. Volgens het principe van de ridderboortigheid werden privileges die verbonden waren aan een ridderlijk leven erfelijk overgedragen op de volgende generatie. Daarbij speelde de levenswijze van het nageslacht geen rol. Ook degenen die zelf hun land moesten gaan bewerken en zich niet of nauwelijks meer wisten te onderscheiden van de overige dorpsbewoners hadden nog recht op een bepaalde voorkeursbehandeling. Als welgeborenen ‘‘ridderboortigen’’ zijn, blijft hun grote aantal echter moeilijk te verklaren.’’ [6] Dit wordt betwijfeld door Antheun Janse, volgens hem zijn er in plaatsen met veel welgeborenen ook veel ‘’feodale edelen’’. Er bestaat een tekst van Bert Koene over Welgeborenen in Holland in het CBG jaarboek 1997. Hij bewijst namelijk dat het een groep van afgezakte adel was, maar dat de grootste bulk toch een stand was van voor het feodale [7] tijdperk, in ieder geval te plaatsen vóór het jaar 1000 na Chr. De welgeborenen zijn vooral geconcentreerd rond die plaatsen welke reeds vóór 1000 na Chr. bestonden op de koninklijke domeinen voordat de autonome territoriale graafschappen ontstonden zoals bijvoorbeeld Holland en Gelre. Ze waren er al vele eeuwen voor het ontstaan van de ridderstand en waarschijnlijk waren het de vazallen op de domeinen. Antheun
Janse is het niet met Bert Koene eens voor wat betreft zijn
‘’stelling’’ dat de grootste bulk toch een stand was van vóór
het feodale tijdperk. Antheun Janse stelt in zijn boek
“Ridderschap in Holland” het volgende : Een van de meest ingrijpende veranderingen in de geschiedenis van de adel vond plaats in de 12e en 13e eeuw en wordt wel aangeduid als het ‘’ontstaan’’ van de ridderschap. In Frankrijk zou zich omstreeks het jaar 1000 naast of eigenlijk onder de adel een nieuwe beroepsgroep hebben gevormd van professionele strijders te paard met een relatief geringe status, de ‘’milites’’ (ridders). Pas in de loop van de 11e eeuw begon de status van deze beroepsstrijders te stijgen, waardoor zij langzaam het sociale niveau van de adel ging benaderen. Mede door de verchristelijking en opwaardering van de militaire functie, waarvan we de duidelijkste aanwijzingen vinden in de vroege kruistochten, hechtten edelen op hun beurt steeds meer waarde aan hun eigen rol in de militia. Zo kwamen adel en ridderschap samen in een nieuwe ridderadel. Ook onvrije dienstlieden met een lage sociale status werden beroepsstrijders, zij werden ministeriales genoemd. De meesten van hen genoten hoge aanzien. Al gauw werden de dienstlenen van de ministeriales erfelijk en verdwenen de kenmerken van hun onvrije afkomst. De status van de ministeriales steeg zo ver, dat adel en ministeriale militia in het begin van de 13e eeuw samen een nieuwe ridderschap vormden. Omstreeks 1200 worden de ministerialen of niet-adellijke milites vrij regelmatig genoemd in grafelijke oorkonden. Het betreft steeds een grote maar naamloze groep, die wordt onderscheiden van de edelen (nobiles), met wie zij samen optreden. Hier hebben we een groep die qua omvang wellicht vergelijkbaar is met die van de vijftiende-eeuwse welgeborenen. Als het begrip ridderboortigheid zich ook uitstrekte over deze anonieme milites uit het begin van de 13e eeuw, is daarmee de omvang van de groep welgeborenen, zowel de ridderlijke als de ‘boerschen’‘variant daarvan, verklaard. Deze milites zullen zeker niet allemaal voldaan hebben aan de criteria voor een ridderlijke levensstijl zoals die in de loop van de 13e eeuw werden ontwikkeld, en waardoor het begrip ‘’miles’’ (ridder) werd verengd tot een exclusieve adellijke titel. Voor de definitie van het begrip ridderboortigheid maakte dat echter geen verschil.’’ [8] Pas in de 14e eeuw krijgt het begrip Welgeboren een meer pregnante betekenis en maakt men in de praktijk soms onderscheid tussen edelen en welgeborenen. Er gaat een ontwikkeling achter schuil die alles te maken heeft met de spanning tussen bevoorrechting op basis van geboorte en onderscheid op basis van materiele kenmerken die te maken hebben met rijkdom, invloed en levensstijl. Men was in 1346 welgeboren als men in een dergelijk geslacht een achtste deel was in de mannelijke lijn, d.w.z. de vader, grootvader en overgrootvader diende ook tot deze klasse te behoren, dus via de rechte zwaardzijde, de zgn. Frankische of mannelijke lijn. Welgeborenschap bleef bestaan zolang er mannelijke nakomelingen waren. Ook vrouwen konden welgeboren zijn via hun vader, maar zij konden het welgeborenschap vervolgens niet doorgeven aan hun kinderen. [9] Machteld Jorisdr N.N.xe "Voornaam:Machteld Jorisdr:N.N. *1535"xe "Achternaam:N.N,:Machteld Jorisdr *1535" (geboren in Hillegom circa 1535, overleden voor 1624) was welgeborene. Zij was in 1555 in Hillegom gehuwd met Claes Maertensz van ’s Gravenmade (geboren in Noordwijkerhout in 1533,overleden in Noordwijkerhout in 1625). Hun dochter Marijtje Claasdr 's Gravenmaxe "Voornaam:Marijtje Claasdr:Gravenma, 's ~1561"xe "Achternaam:Gravenma, 's,:Marijtje Claasdr ~1561" (gedoopt in De Zilk in 1561, overleden voor 1627) was ook welgeborene. [10] In de Kohier (rekeningen) van de 100e Penning uit 1424 komen zoveel welgeborenen voor, dat het nauwelijks denkbaar is dat deze edelen allen een kasteel bewoonden. Die indruk werd versterkt door de opgegeven vermogens in de rekeningen. [11] Wie tot de stand van welgeborenen gerekend werd valt op te maken uit het Kohier van de 100e Penning van 1424 die door de welgeborenen (afzonderlijk ???) werd opgebracht. In Lisse waren er 32, in Noordwijkerhout 15 en in Sassenheim 16 welgeborenen, een relatief groot aantal. In een memorie van het Hof van Holland uit 1467 worden de welgeborenen beschreven als een eigen stand, welke stond tussen de edelen en de huislieden. Een stand, die wel van oorsprong edel was, maar zich niet meer hield aan de verplichting om een adellijke (militaire) stand te voeren, een soort ‘’sub-adel’’. Welgeborenen zijn dan al dikwijls boeren of ambachtslieden. [12] Op maatschappelijk en economisch gebied waren er in de vijftiende en zestiende eeuw maar weinig verschillen tussen de welgeborenen en de andere dorpsbewoners (die ook wel ‘’huislieden’’ werden genoemd). Zo oefenden veel welgeborenen ‘’gewoon’’ het beroep van landbouwer uit. Hoewel zij niet meer in staat waren om er een adellijke levensstijl op na te houden, hadden welgeborenen vanwege hun adellijke afkomst tot in de zeventiende eeuw nog wel bepaalde voorrechten.
[13]
Op drie terreinen onderscheidden zich de
Hollandse Welgeborenen van de Huislieden (‘’de Gemeente’’)
namelijk op militair, fiscaal en justitieel terrein. Fiscaal, de welgeborenen genoten eeuwenlang vrijdom van schot(belasting) en diensten zoals de wagendienst en het planten van helmgras in de duin om verstuivingen tegen te gaan. Het meest spraakmakende en in het oog springende privilege van welgeborenen was hun schotvrijheid. Het schot of jaarbede was een vaste jaarlijkse belasting die in een groot deel van Holland als sinds de eerste helft van de 12e eeuw werd geheven. Welgeborenen waren ook vrijgesteld van de buitengewone bede welke geheven werd bij bijzondere omstandigheden, bijvoorbeeld bij het huwelijk van de vorst of een graaf. Belastingen werden in de 15e en 16e eeuw veelal omgeslagen over de hele dorpsgemeenschap. Door welgeborenen werd niet bijgedragen in het, door de dorpsgemeenschapen van de ambachten op te brengen, schot en dit betekende dat deze last dus kwam te drukken op het grondbezit der niet-welgeborenen. Hoe meer welgeborenen er in een dorp woonden, hoe zwaarder de financiële lasten voor de andere dorpsbewoners waren. Welgeborenen waren dan ook niet geliefd bij hun dorpsgenoten vanwege hun vrijstelling van schot en er werd dan ook scherp in de gaten gehouden dat niemand ten onrechte welgeborenschap claimde. [16] Het is opvallend hoe lang welgeborenen die zich in niets onderscheiden van hun collega-boeren en dorpsgenoten hun fiscale en juridische uitzonderingspositie hebben kunnen behouden. In de 15e eeuw raakten zij hun belangrijkste privilege, de vrijstelling van de beden, kwijt. Na verloop van tijd gingen ook de financiële lasten van de welgeborenen omhoog. Vanaf de vijftiende eeuw werden hun voorrechten op financieel gebied namelijk steeds verder ingeperkt. Zij dienden wel te betalen, hoewel minder dan de normale huisman en uiteindelijk hadden zij nog slechts vrijstelling van betaling van de pacht - of pondhoen (een belasting welke vermoedelijk oorspronkelijk in natura – hoenderen - betaald werd [17]). Daartegenover hadden de welgeborenen het recht gratis hun paarden te weiden in het duin. Van de ’s Gravenmades is bekend, dat ook zij hun vee lieten grazen in de duinen en misschien waren daar ook wel paarden bij. Justitieel, [18] Huislieden vielen onder de jurisdictie van zowel de schout als de baljuw. Welgeborenen werden onder andere in de vijftiende en zestiende eeuw niet voor de rechtbank van Schout en Schepenen gedaagd doch direct voor de Baljuw[19] (rechterlijk ambtenaar) en zijn mannen. Het ging daarbij om berechting door standgenoten, want welgeborenen hadden de plicht om samen met de baljuw recht te spreken. Zij waren dus de aangewezenen om zitting te nemen in dit gerecht zodat gelijk over gelijk oordeelde. Dat ging niet altijd van harte, af en toe wordt namelijk melding gemaakt van personen die werden beboet omdat zij zich onttrokken aan deze verplichting. Toch bleven welgeborenen tot in de zeventiende eeuw op deze manier bij de rechtspraak betrokken. Zo zijn er van het baljuwschap van Noordwijkerhout (waartoe ook Lisse behoorde) lijsten (de zogenaamde ‘’nominatie’’) bewaard gebleven uit circa 1620 waarop per dorp de oproepbare welgeboren mannen worden vermeld. Op basis van deze lijsten werden de personen geselecteerd die samen met de baljuw recht moesten spreken. Bekend is dat in de duindorpen ook duinmeiers (beheerders van de duinen) voor zitting in de rechtbank in aanmerking kwamen. De welgeborene Claes Maerten ’s Gravenmade was in de 16e eeuw duinmeier in de Zilk en had zitting in het gerecht. [20] De heer Hulkenberg, schrijver van vele boeken over de Duin- en Bollenstreek, stelt het volgende. In de Middeleeuwen kende men drie standen : de adel, de geestelijkheid en het overige volk. [21] Voor het graafschap Holland is dit eigenlijk een te simpele voorstelling, de werkelijkheid was veel complexer, waarbij de macht van de geestelijkheid minder groot was dan in andere gebieden. Het blijkt echter dat sommige landbouwers niet gewoon een boerderij bezaten, maar een ‘’begraven hofstede’’, een ‘’moated site’’ [22] Zouden daar de welgeborenen gewoond hebben, een soort ‘’boerenadel’’ ? Ik ben geen ’s Gravenmades tegengekomen die in een, met grachten omringde, boerderij gewoond hebben. Maar wie weet komt er nog eens een ‘’grachtenboerderij’’ boven water ? [23] Over het welgeborenschap vanaf circa 1600 is nog maar weinig bekend. Er is nog veel meer onderzoek nodig voordat er definitieve conclusies over het welgeborenschap in de 17e en 18e eeuw getrokken kunnen worden. [24] Een naamgenoot van mij (Dr. Martijn o.s.a.) stelt na literatuuronderzoek, dat er een overgang heeft plaatsgevonden van de welgeborenen als stand naar welgeborenen als leden van rechtscolleges. De stand is door onderzoekers pas in het begin van de 13e eeuw ontdekt in het graafschap Holland. Dan zijn de welgeborenen bijna niet meer te onderscheiden van huislieden (‘’de gewone man’’). Men kan zich afvragen hoe en wanneer de overgang van stand naar ambt (leden van rechtscolleges) zich heeft plaatsgevonden. Dit hoeft zich niet in alle baljuwschappen van Holland op gelijke wijze voltrokken te hebben. Onder het baljuwschap Rijnland vielen aanvankelijk onder andere de ambachten Noordwijkerhout, Sassenheim, Voorhout, Lisse, Hillegom en De Vennip. Sinds 1425 vormde Noordwijkerhout een eigen baljuwschap waartoe later ook Voorhout, Lisse en Hillegom gingen behoren nadat deze eerst een tijd tot Noordwijk werden gerekend. In Delfland werd bij de leden van de vierschaar[25] langer op de afkomst gelet dan in Rijnland. Rond 1580 is voor Noordwijkerhout duidelijk, dat de mannen van de vierschaar niet allen tot de stand van welgeboren grondbezitters horen. Zo is de rijke grootgrondbezitter Corsteman, geparenteerd aan ’s Gravenmade, wel ambtshalve maar niet standshalve welgeborene. In Rijnland moet de overgang van stand naar ambt al in het begin van de 16e eeuw hebben plaatsgevonden. Wel vindt men tot in de 18e eeuw aanwijzingen dat welgeborenschap gekoppeld was aan bepaalde vrijstellingen. Zo was in 1730 een welgeboren man vrij van de vergoeding voor het laten weiden van paarden in de duinen. In 1747 worden verschillende welgeborenen vrijgesteld van het helmgeld dat het planten van helmgras in de duinverstuivingen mogelijk moest maken. Van de 16e tot en met de 18e eeuw is welgeboren dus een ambtstitel, men moet wel over een zekere maatschappelijke welstand beschikken (‘’de ryxste ende de gequalificeerste van de ingesetenen””) om gekozen te worden in rechtscolleges. [26] Echter werden in Lisse ook relatief arme personen tot de welgeborenen gerekend. ‘’Welgeboren’’ is bij hen geen ambtstitel die werd verleend vanwege een zekere maatschappelijke welstand. Op den duur werden de welgeborenen niet allemaal tegelijk meer opgeroepen tot rechtspraak, maar een bepaald aantal bij toerbeurt. [27] Dat was vanaf de 17e eeuw vooral het gevolg van het feit dat er in het baljuwschap van Noordwijkerhout te weinig welgeborenen waren om recht te spreken. Zo werd op 15 maart 1614 door de Staten van Holland voor het baljuwschap Noordwijkerhout bepaald dat er negen welgeboren mannen in de vierschaar zitting zouden nemen. [28] Oorspronkelijk dienden er dertien welgeborenen zitting te nemen in het gerecht, maar op 14 januari 1614 klagen de welgeborenen uit het baljuwschap Noordwijkerhout bij de Staten van Holland dat er in hun rechtsgebied te weinig welgeborenen wonen om volgens het oude gebruik recht te spreken. Daarom vragen zij toestemming om met minder welgeborenen recht te spreken. Dat er te weinig welgeborenen waren duidt er op dat het nog altijd een aparte stand/klasse was, waartoe niet iedereen kon toetreden (ook niet de rijke niet-welgeboren grondbezitters). Als gevolg van het uitsterven van families – wat ook bij de adel gebeurde – waren er daardoor aan het begin van de 17e eeuw veel minder welgeborenen dan bijvoorbeeld in 1424. Daarom mochten vanaf circa 1600 ook rijke – niet-welgeboren – grondbezitters met de baljuw recht spreken Er is voor hen wel sprake van een opkomstplicht. Tussen 1616 en 1620 is er een lijst van oproepbare welgeborenen opgesteld, de zogenaamde ‘’nominatie’’. Geliefd was de functie niet en als men niet aan de opkomstplicht voldeed werd men veroordeeld tot het betalen van het gelag van de wel aanwezigen. Die zullen er wel van geprofiteerd hebben, konden ze daarna nog rechtspreken ? Ook ’s Gravenmades zondigden wel eens vanwege drukke bezigheden zoals Quiryn Claesz, die het op 28 juni 1616 te druk had met de in- en verkoop van land en boerderijen. Positief
bewijs van welgeborenheid geeft zitting in het hogere gerecht
niet, alleen het veelvuldig voorkomen van dezelfde familienaam
in de rechtscolleges geven enige zekerheid. Op de
‘’nominatie’’ komen diverse ’s Gravenmades voor uit Lisse,
Hillegom en Noordwijkerhout. Het is dus welhaast zeker,
dat ’s Gravenmades welgeborenen waren, maar of ze ook tot de
middeleeuwse adel behoorden blijft nog een vraagteken. Geringe aanwijzingen dat men met welgeborenen te maken had waren bepaalde functies binnen de dorpsbesturen, deze vertegenwoordiging had een verhouding van één welgeborenen op één gegoede burger. Deze functies waren: schout, schepenen, schotvangers, aalmoesmeesters, morgengeldgaarders, heemraadschapmannen, waterschapsmannen, maar ook weesmeesters, armenvoogden, ijkmeesters en in het begin ook de hoofd gildenmeesters en kerkmeesters, deze laatste waren vaak tot in de 19e eeuw als zodanig herkenbaar. Veelal was tot die periode één op de drie personen binnen het kerkbestuur welgeboren. Formeel is de stand van welgeborenen nimmer opgeheven. In de tabel is te zien welke Schrama’s welgeboren waren en / of de genoemde functies bekleedden.
[32] Er is een wapen van de ’s Gravenmades, dit wapen komt voor op het titelblad van de ''Legger Van de Stadt Leydens Ambachts Heerlyckheyt De Venp''. Op de Legger komen Maerten Willemse 's Gravenmade en Dirk Claesse 's Gravenmade voor als schepenen (zie tabel). De Legger is in het bezit van de familie Six. [33] Het wapen zou een verzinsel van Jhr. Six van Hillegom geweest zijn. De ’s Gravenmades kwamen zelf ook met het gerecht in aanraking als eiser of als beschuldigde. Meestal voor de bekende ‘’onschuldige’’ zaken, maar ook voor ‘’spannende’’ zaken. ‘’In 1575 spande Frans Wij (als voogd van zijn broer mr. Jacob Wij) een proces aan tegen Floris Louriszn. in verband met koeien: "Op huyden den lesten juyny anno 1575 heeft Floerys Lourysz. ghestelt in handen van mester Jaecop Wij alsulcken vyer koeyen als op sijn lant is ghereso(r)t, ende beeloft die niet te verkoepen tot dat den zelven mester Jaecop is voldaen, ende mach die zelve koeyen morgen brengen in een ander wijdt, onvermindert sijn recht, ende sal die zelfde koeyen bewaeren tot proefit van den zelven mester Jaecop Wij, ofte dat hij hem anders is volldaen". ‘’In 1597 spande Jan Ghijsbertszn. Crabbemors een proces aan tegen Louris Floriszn. (buurman te Heemstede) en eiste betaling van 45 Karolusguldens in verband met "lanthuyere" over het jaar 1596. [34] En we hadden ook een agressieveling in de familie : ‘’In 1555 had Louris Janszn. voor de kapel van Heemstede Jan Pieterszn. met een vuist in het gezicht geslagen’’. Als hij dat nou in de herberg gedaan had, maar voor de kapel !!!!!!!! Het is overigens nog niet zeker, dat dit een Schrama was.
Terug naar Achtergrondinformatie [1] Vaak wordt hierna als periode de ‘’Middeleeuwen’’ genoemd, deze liep van 400 tot 1550. Indien bekend wordt het gedetailleerd met de toevoeging ‘’vroege’’ voor de periode 400 tot 900, ‘’volle’’ voor de periode 900 tot 1300 en ‘’late’’ voor de periode 1300 tot 1550. [3] Bron : Seniorweb, Harry van Deelen
[4]
Bron :
Ridderschap in
Holland,
portret van een
adellijke
elite in de
late
Middeleeuwen, [5] Feodale stelsel = leenstelsel. [6] Bron : Drs. Maarten van Bourgondiën [7] De tijd van het leenstelsel
[8]
Bron :
Ridderschap in
Holland,
portret van een
adellijke
elite in de
late
Middeleeuwen, [9] Bron : Drs. Maarten van Bourgondiën [10] Genealogie Floris van 's Gravenmade ( door Joop Zwager, Hoofddorp), hij was lid van de werkgroep tijdschrift 's Gravenmade. [11] Bron : Liber Amicorum Adri Schrama, Bangkok, CBG
[12]
Bron : De welgeboren familie Duycker uit Lisse, Drs.
Maarten van Bourgondiën, [13] Bron : Ontmoetingen met welgeborenen, Gens Nostra 1953 blz 46 – 48, Ir. A.F. de Graaff
[14]
Bron :
Ridderschap in
Holland,
portret van een
adellijke
elite in de
late
Middeleeuwen, [15] Bron : Liber Amicorum Adri Schrama, Bangkok, CBG
[16]
Bron :
Ridderschap in
Holland,
portret van een
adellijke
elite in de
late
Middeleeuwen, [17] Bron : Drs. Maarten van Bourgondiën
[18]
Bron : De welgeboren familie Duycker uit Lisse, Drs.
Maarten van Bourgondiën, [19] Baljuw was de naam die hoofdzakelijk in Vlaanderen, Henegouwen, Holland en Zeeland, en in Noord-Frankrijk werd gebruikt om de ambtenaar aan te duiden die vóór de Franse Revolutie de vorst in de steden en landelijke gebieden vertegenwoordigde. In andere noordelijke gewesten voerden soortgelijke functionarissen de titel van drost, drossaard, meier of schout . Het woord baljuw (Frans bailli, Engels bailif, ...) is afgeleid van het (middeleeuws) Latijnse baillivus of bajulivus, een persoon belast met een bestuursfunctie, op zijn beurt afgeleid van bajulare = torsen, dragen. (Bron : Wikipedia) Tegenwoordig worden de namen baljuw, drost en schout door elkaar gebruikt. Alle drie betreffen ze een functie die vergelijkbaar is met een soort samenvoeging van hoofdcommissaris van politie en officier van justitie. Tot de 16de eeuw was de baljuw de plaatsvervanger van de graaf en namens hem verantwoordelijk voor de rechtspraak in de grafelijke gebieden. Na de 16de eeuw vallen de beroepen baljuw en schout samen. De baljuw is dan het hoofd van de stedelijke politiemacht en treedt op als aanklager. (Bron : www.gevangenpoort.nl) [20] Bron : Hillegomse Geschiedenissen, A.M. Hulkenberg [21] Bron : Drs. Maarten van Bourgondiën [22] Moated site is een internationale term voor een complextype bestaand uit enkele gebouwen binnen een omgrachting. Volgens de definitie van de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten zou de omgrachting van een moated site tenminste vijf meter breed moeten zijn en het voornaamste gebouw uitgevoerd in steen of baksteen. Net als bij een kasteel kunnen de gebouwen elementen bevatten die wijzen op een verdedigbaar karakter, maar deze bieden geen echte bescherming tegen een serieuze aanval of belegering. Archeologische resten bij een moated site wijzen veelal op een relatieve welstand. Moated sites werden vooral aangelegd vanaf de 13e eeuw. [23] Bron : Drs. Maarten van Bourgondiën [24] Bron : Liber Amicorum Adri Schrama, Bangkok, CBG [25] Een vierschaar, de laagste vorm van rechtspraak, was zeer lokaal georganiseerd en werd uitgeoefend door de schepenen. Deze werden benoemd door een privé-persoon : de plaatselijke heer, bezitter van het rechterlijk gezag voor zijn domein, de heerlijkheid. De instelling dankt zijn naam aan het vierkant van banken waarop de schepenen bij een rechtszitting plaatsnamen. (Bron : Wikipedia) [26] Bron : Drs. Maarten van Bourgondiën [27] Bron : Drs. Maarten van Bourgondiën [28] Bron : Drs. Maarten van Bourgondiën [29] Bron : Drs. Maarten van Bourgondiën
[30]
Bron : De Hervormde of Sint Maartenskerk te Hillegom,
A.M.Hulkenberg ,
[31]
Bron : De Hervormde of Sint Maartenskerk te Hillegom,
A.M.Hulkenberg , [32] Bron : Liber Amicorum Adri Schrama, Bangkok, CBG [33] Bron : Verslag van de vergadering der Werkgroep Schrama op 27 mei 1979 [34] Bron : Schepenrollen Heemstede , Archiefnaam: RANH, Archief: OR, Inventarisnr.: 536, fol. 5
Terug naar Achtergrondinformatie
Teller dient met 120 verhoogd te worden.
Deze pagina is voor het laatst bijgewerkt op 08/12/09
|
|