|
||
zondag 20 februari 2011 |
![]() ![]()
|
|
Vervoer
over land Na het dubbelklikken op een foto kan het even duren voordat de foto op het juiste formaat weergegeven wordt.
Geschreven
tekst linksonder in de prent : [1] [2] [3] [4] [5] [6] [7] [8] In de middeleeuwen (400 tot 1550) ging het meeste vervoer over land. De landwegen waren onverhard en vaak niet meer dan een karrenspoor, hobbelig en vol kuilen en gaten. De wegen waren in droge tijden moeilijk begaanbaar door het mulle zand en in natte tijden door grote plassen en kuilen vol water. Men loste dat dan vaak op door het karrenspoor een eindje te verleggen. De zandwegen waren het gehele jaar min of meer begaanbaar. In droge tijden waren de klei- en veenwegen beter bruikbaar dan de mulle zandwegen, daarom werden ze ‘’zomerwegen’’ genoemd. Vanaf de 17e eeuw ging men de, vaak onbegaanbare kleiwegen bezanden. Vooral in de winter waren de klei- en veenwegen erg slecht, maar dan kon men altijd nog het strand als weg gebruiken. Dat betekende voor onze voorouders, een flinke omweg in de winter. Of hadden ze genoeg voorraad en bleven ze lekker thuis, lekker warm bij de koeien op stal en bij ‘’moeder de vrouw’’ in de bedstee. Was dat dan de belangrijkste veroorzaker van het hoge geboortecijfer vroeger of was het toch de pastoor ? Het meest gangbare vervoermiddel was de ‘’benenwagen’’. De boeren hadden hun paard en wagen en voor de zondag de sjees, een innovatie uit de 17e eeuw en de rijken hadden koetsen. Van de afgelegen boerderijen liepen er ‘’kerkpaden’’, die de kortste verbinding naar de kerk vormden. Er waren ook ‘’doodwegen’’ naar het dichtstbijzijnde kerkhof. Veel ’s Gravenmades, onder andere wonend aan de Margrietenlaan en Loosterweg in Hillegom, ‘’kerkten’’ in de Vogelenzang en hadden misschien wel eigen kerkpaden en doodwegen van hun boerderij naar de Vogelenzangse kerk. Waar komt nu de naam Loosterweg vandaan ? De stroken zandgrond langs de duinen waarover het water naar de weteringen afvloeide werden ‘’loosters’’ genoemd. De weg aan de voet van de duinen werd daarom Loosterweg genoemd. Soms werd de Loosterweg ‘’Lijtweg’’genoemd, ‘’lijt’’ heeft te maken met ‘’lijden’’ wat ‘’gaan’’ betekent (overlijden: overgaan naar een ander leven, lang geleden : er is een lange tijd overheen gegaan). Een ‘’lijtweg’’ was geen echte algemene rijweg, maar het was wel meer dan een voetpad. [9] Een ‘’Hillegom-expert’’ omschrijft de begrippen ‘’looster’’ en ‘’lytwech’’ als volgt : ‘’ Vanuit de duinen en het hoogveenlandschap liepen afwateringen, de zogeheten loosters, die hun water loosden, vaak via de duinbeken als de Hillegommerbeek en de Kennemerbeek, in het grote Haarlemmermeer. En uiteraard liep er een pad (‘’lytwech’’) langs die loosters, die immers ook een mooie transportweg vormden.’’ Na 1000 werden
door de opkomst van de steden ‘’heerwegen’’ aangelegd, niet alleen voor
de graaf en zijn leger, maar ook voor het handelsverkeer tussen de
steden en de dorpen. De naam Heereweg duidt op een weg voor interlokaal
verkeer en dateert van de Romeinse tijd (‘’Heirweg’’ of ‘’Heirbaan’’).
Volgens een andere bron
[10a]
duidt de naam erop, dat het onderhoud door de graven van Holland werd
betaald, die op hun beurt de gebruikers van de weg weer tol lieten
betalen. Toen was er al een vorm van wegenbelasting. In de streek
waren er drie parallelle hoofdroutes, hoofdzakelijk over en langs de
strandwallen van Noord naar Zuid. De meest oostelijke en belangrijkste
weg was de weg van Amsterdam naar den Haag via Haarlem, Bennebroek,
Hillegom, Lisse, Sassenheim en Leiden. Deze weg had verschillende namen
in de dorpen en de namen veranderden in de loop der tijden.
In Almelo kostte het in 1837 het volgende :
Rond 1840 kenden verschillende dorpen nog de ‘’hoefslag’’, dat wil zeggen dat de eigenaren van land verplicht waren de weg langs hun percelen zelf te onderhouden. Pas in het begin van de 19e eeuw werd een begin gemaakt met bestrating van de doorgaande wegen. De weg van Haarlem naar Leiden en den Haag over Lisse en Hillegom is in 1806/1807 bestraat. Voor gebruik van wegen, zeker de bestrate wegen, moest tol betaald worden aan de eigenaren van de wegen. In 1856 kostte dat van 1.5 cent voor een bok, geit of hond met kar tot 17.5 cent per paard voor een diligence met meer dan 12 personen. Een kudde van meer dan 80 stuks schapen of varkens kostte 40 cent. Boeren hadden diverse ontheffingen onder andere als zij van hun boerderij naar hun land gingen met de boerenwagen of met los vee. Een van de oudste postwagen- of diligencediensten in ons land, opgericht in 1660, ging van den Haag naar Amsterdam over onder andere Hillegom, Lisse en Sassenheim. De gemiddelde snelheid van postkoetsen en diligences was niet meer dan 8 km per uur. Per diligence konden vier reizigers vervoerd worden, soms een paar meer. Overal langs de route van de diligence kon men in- en uitstappen. In de dorpen waren pleisterplaatsen of een meer toepasselijke naam ‘’uitspanning’’. In Lisse was er de Witte Zwaan, in Sassenheim de Oude Post en het Bruine Paard, in Bennebroek de Geleerde Man en in Hillegom de Gouden Leeuw en het Wapen van Friesland (was men in Hillegom zo blij met de mest uit Friesland?). De paarden werden daar uitgespannen en zonodig gewisseld voor verse paarden. Zal boer Schrama daar ook ‘’uitgespannen’’ hebben als hij zondags ging toeren met vrouw en kinderen ? Dorst kreeg hij vast wel onderweg. Ik heb het zelfs nog gedaan met vrouw en kinderen op de sjees met pony in de Drunense Duinen en dan uitspannen bij herberg De Drie Linden in Giersbergen voor een pilsje en ‘’frites met’’. De reis in een diligence was allesbehalve comfortabel door de slechte wegen en de vering van de koetsen was lang niet ideaal. Men reisde dan ook veel meer over het water en nam de diligence als er geen vervoer over water mogelijk was. Voor het goederenvervoer gold hetzelfde, tot in de 19e eeuw stelde dit over land met paard en wagen voor langere afstanden weinig voor. Paard en wagen werden gebruikt voor korte afstanden rond de steden en dorpen. ‘’ De meeste diligences waren ingericht voor het vervoer van maximaal twaalf personen.’’ ‘’ Behalve van de diligencediensten kon men tussen 1810 en 1854 ook gebruikmaken van de diensten van de paardenposterij. Op daartoe ingerichte wisselplaatsen langs een aantal belangrijke wegen stonden paarden, postiljons en soms rijtuigen ter beschikking van reizende ambtenaren, regeringskoeriers, en voor het vervoer van brievenpost en particuliere reizigers.’’ Rond 1840 bestond de ‘’openbare verlichting’’ uit een lantaarn bij de kerk en enkele olielampjes aan huizen. Er zullen best wel mensen na het bezoek aan de herberg te water geraakt zijn, misschien wel Schrama’s en zwemdiploma’s kende men toen nog niet. [13a] De lantaarnopsteker ging met een ladder en een oliekan de lantaarns langs om deze aan te steken en bij te vullen met olie. Vaak werd dit beroep gecombineerd met de functie van nachtwaker of omroeper. [13b]In de eerste helft van de achttiende eeuw telde Lisse slechts één dorpslantaarn. Deze lantaarn brandde op olie en hing vermoedelijk aan het wachthuis. In 1771 blijken er drie dorpslantaarns aanwezig te zijn: één aan het wachthuis, één op de hoek van de beek en één bij de dorpswaag (aan de gracht in de buurt van de korenmolen). De olielantaarns werden in het winterseizoen aangestoken. De personen die daar verantwoordelijk voor waren, werden betaald uit de dorpskas. Zoals gezegd brandden de lantaarns op olie. Ieder jaar zijn er in de dorpsrekeningen dan ook betalingen terug te vinden voor de levering van olie, katoen en “swafelstopsel”. Het onderhoud van de lantaarns kostte eveneens geld. In 1771 werd Cornelis Rouwens, schilder en glazenmaker, betaald voor “het verven van een lantaarn en het maaken van glasen daar in, alsmede over het stoppen van ruyten in de andere overige lantaarns”. Daarnaast ontving Albert Bots in datzelfde jaar een vergoeding voor het maken van een nieuwe dorpslantaarn bij het waaggebouw.
De lantaarnopsteker.
Onderaan staat : [14] De komst van de trein bracht een omwenteling teweeg bij het personenvervoer. In 1842 reed de eerste trein van Haarlem naar Leiden. Aanvankelijk vond er voornamelijk personenvervoer plaats met de trein.
Bron : [15] Na een zware zuidwesterstorm in 1836 waarbij het water tot in Amsterdam en Leiden opstuwde werd besloten tot droogmaking van de Haarlemmermeer. [16] Tussen 1840 en 1852 werd de drooglegging gerealiseerd. De ‘’wrede waterwolf’’ was getemd, de Haarlemmermeer werd ook wel het ‘’schepenkerkhof’’ genoemd. De regelmatige overstromingen tot voorbij de Heereweg en de bedreigingen van de steden aan de Haarlemmermeer (Haarlem, Amsterdam en Leiden) waren ten einde. Door de drooglegging van de Haarlemmermeer werd de trein ook van belang voor het goederenvervoer.
Het station van
Hillegom omstreeks 1910, dat in 1900 in gebruik werd genomen. Rechts op
de foto staat de koetsier van de heer [17] In juni 1880 werd te Hillegom de Noord-Zuid-Hollandsche Stoomtramweg Maatschappij opgericht en de benodigde vergunningen werden in hetzelfde jaar verkregen. De lijn die tussen Haarlem en Leiden aangelegd zou worden werd éénsporig en er moesten op diverse locaties wissels aangelegd worden. Onder andere op het Vierkant ten koste van een drietal bomen en dat ging niet zonder slag of stoot in Lisse. Uiteindelijk ging de gemeenteraad akkoord onder de nodige voorwaarden. Zo moest de eerste tram van Hillegom naar Lisse rijden om vandaar te vertrekken naar Haarlem ‘’ten gerieve van de reizigers (uit Lisse) die wenschen mogten zich naar Haarlem te begeven’’. In 1880 / 1881
werd de tramlijn tussen Haarlem en Leiden gerealiseerd en in mei 1881
reed de eerste tram. De stoomtram had de bijnamen ‘’Stoof’’ en ‘’Bello’’,
betekende Bello mooie locomotief of is hij vernoemd naar een hond ?
De tram stopte, in tegenstelling tot de trein, meerdere malen in elk
gehucht en elk dorp en stopte zelfs bij het huis van de ‘’bollenheer’’
voor een schone boord voor ‘’meneer’’. In de beginjaren kon men zelfs in
– en uitstappen waar je maar wilde. Het vervoer van personen en ook van
goederen tussen de dorpen in de streek en naar Haarlem en Leiden vond
toen dan ook vooral via de stoomtram plaats. Vanaf 1 januari 1933 was de
tram geëlektrificeerd (met bijnaam ‘’de Blauwe Tram’’) en op 2 januari
1949 is de tram opgeheven en gingen er bussen rijden tussen Haarlem en
Leiden.
Volgens mij staat boven Personentarief :
Aankomst van de stoomtram uit Leiden op het Vierkant in Lisse, De trekschuit en
de diligence hadden er twee geduchte concurrenten bij en er was weinig
drang tot verbetering van de wegen. De diligence was omstreeks 1900
verleden tijd. Op
deze afbeelding staat
kolenboer
Vos uit Sassenheim. Dit is ook een vorm van vervoer
over land, maar dat was wel je laatste ritje.
Bron : het boek ''Van Marke naar Maatschap, 150
jaar landbouw in Haaksbergen''. Rond 1900 kende
men ook al snelheidsbeperkingen, binnen de bebouwde kom mocht met paard
en wagen niet sneller dan stapvoets gereden worden. En toen kwamen de
personenauto’s rond 1900 en de vrachtauto’s na de eerste wereldoorlog.
Toch bleef nog lange tijd het paard en wagen de heerschappij op de weg
behouden. In 1938 was het echter nog maar een vijfde deel van wat het
vroeger was. En als laatste de fiets, vanaf 1884 werd de fiets met het
grote voorwiel en het miniatuur achterwieltje (‘’de kangeroe’’)
vervangen door fietsen die veel leken op onze huidige fietsen. De advertentie is van augustus 1940
en wat zie ik rechts onderaan : In het voorjaar en in
de zomer had Van der Putten goede klanten aan de Onderstaande foto is van de (gemotoriseerde) stalhouder Scheepmaker.
De
foto is afkomstig van de site van Jan van Rooyen
[1] Bron : De Duin- en Bollenstreek in caert gebracht, J.J.J.M. Beenakker [2] Bron : 750 jaar kerk in Hillegom, J.J.J.M. Beenakker [3] Bron : Lisse op de grens van droog en nat, J.J.J.M. Beenakker [4] Bron : Hillegomse Geschiedenissen, A.M. Hulkenberg [5] Bron : ‘t Vermaaklijk Hillegom, A.M. Hulkenberg, uitgeverij Repro-Holland, Alphen a/d Rijn, 1972 [6] Bron : Heemstede in de historie, Leven, werken, handel en koehandel in de woonplaats van Emece, mr. JW Groesbeek [7] Bron : Verkeer en vervoer in Nederland, schets eener ontwikkeling sinds 1815, H.C. Kuiler [8] Bron : Holland rond 1840, K. van der Wiel [9] Bron : Loosterweg 1,2,3 door Hans van de Reep
[10a]
Bron :
[10b]
Bron : Geschiedenis van
Lisse in oude ansichten en plattegronden, [11] Bron : Lezen in het duin, Gert Baeyens en Jaap Duyve, Stadsuitgeverij Amsterdam / Gemeentewaterleidingen Amsterdam, 1991 [12] Bron : Hillegomse Geschiedenissen, A.M.Hulkenberg (blz 123)
[13a]
Bron : Geschiedenis van Bloemendaal en Aerdenhout, Mr. C.W.D.
Vrijland e.a. [15] Bron : Kerken in 800 jaar Lisse, Ed Olivier [16] Bron : Herinneringen aan Lisse, I. Bartelds [17] Bron : Nieuwsblad van de Vereniging Oud Lisse Januari 2008, De komst van de stoomtram 1880/ 1881, Rob Pex
Naar boven
|
Deze pagina is voor het laatst bijgewerkt op 02/20/11