|
||
17/01/11 |
![]() ![]() |
Woningen, boerderijen en interieur
Meubilair
[1]
[2]
[3]
[4]
[5]
[6]
[7]
[8]
[9a]
Deuropening (onder links) Dat ronde ding tegen de (achter)wand is de opgeklapte eettafel. Als wij maar één
vertrek hadden waar zowel de eettafel als ons bed in moesten staan,
Geschreven tekst aan de onderkant van de prent : ''2
maaltijden per dag, bij het eten wordt bier gedronken.
Bron
: De tresoor (1566), Rien Poortvliet, 1987, uitgeverij J.H. Kok, Kampen,
Bron : het boek ''Van Marke naar Maatschap, 150 jaar landbouw in
Haaksbergen''.
In de 18e eeuw bevond de
haard zich al wel aan de wand en werd beschermd door een haardplaat.
'' Hard kans dat daar al iemand staat ! Ja, ze draagt
wel dikke rokken, maar geen onderbroek en bij het inkopen doen op een
tochtig marktplein krijg je steenkouwe billen – en dan thuis met je
rokken op bij het vuur staan ! De boerderijen
in onze streek hadden vaak een, in hoofdlijnen, rechthoekige
plattegrond. De witte kleur van de boerderijen was typerend voor de
kuststreek. De onderkant van de gevels was zwart geteerd, daar bleef het toch
niet wit door opspattend vuil en modder.
Bron :
Boerderijen in Zuid-Holland, J.Verheul Dzn. en P.Ratsma, Is boer Klaas aan het werk met een hark of speelde hij toen al boerengolf ? Beschrijving: Boerderij "Puikenduin" aan de
duinvoet bij de Noordzijderpolder te Noordwijk.
Dat ziet er niet fris uit, klik er maar eens op. Bron : het boek ''Van Marke naar Maatschap, 150 jaar landbouw in Haaksbergen'', uitgegeven door het Historisch Centrum Haaksbergen.
[10]
Aanvankelijk ‘’woonden mens en dier samen’’ in één ruimte waar ook de
voorraad voer was opgeslagen. Later was er sprake van ‘’scheiding van
tafel en bed’’, de stal werd afgescheiden. Interieur even bouwvallig, vuil en slordig als het
exterieur. De zolder is gestut door palen, waarvan er een te zien is
voor de schouw. Veel spinnenwebben, geen behang op de muren. Bedstee
vies en smerig. Ter ere van de opname hebben de bewoners zich zo deftig
mogelijk uitgedost.
Tot in de 18e eeuw was er één ruimte voor wonen en werken
achter de voordeur De onderste bedstee ligt direct op het maaiveld en
kon dus erg vochtig zijn.
Tot 1800 was het de gewoonte ’s zomers de opkamer vrij te maken voor de verpachter. Daarna kwam het ‘’zomerhuis’’ annex bakhuis in opkomst, deze werd gebouwd naast of tegen de boerderij. Al in 1840 verhuurden boeren in de zomermaanden een deel van de boerderij aan stadsmensen en woonde het boerengezin in het zomerhuis. Toen was er dus al sprake van een soort ‘’kamperen bij de boer’’. Mijn ouders en mijn familie was meer voorstander van vakantie in een landelijke streek, maar dan niet bij de boer maar in een hotel. Het kamperen bij de boer hebben ze dus niet van hun voorouders. Mijn moeder vertelde vaak, dat zij vroeger thuis op de boerderij zodra het beter weer werd naar het zomerhuis verhuisden. En in de boerderij kon dan grote schoonmaak gehouden worden. Hoeveel geld zat er rond 1840 in een boerderij ? Voor een flinke boerderij met 30 morgen [11] land en 30 koeien wordt dit geschat op tienduizend gulden voor het land, enkele duizenden voor de boerderij en een paar duizend voor het vee. Totaal circa twintigduizend gulden inclusief huisraad, de wagens, gereedschap en voorraden. Cornelis Schrama had volgens de boedelinventaris bij zijn overlijden in 1804 een ‘’bouwmanswooning met aanhorige landerijen’’ ter waarde van 8800 gulden. [12] ‘’In de 19e eeuw hadden boerenhuizen ramen met houten luiken. Als de luiken gesloten werden tegen de kou betekende dat er geen licht naar binnen kwam. Ramen waren een luxe die niet iedereen zich kon veroorloven en er werd zelfs belasting over geheven. Petrus Cornelisz (Pieter) Schrama koopt in 1812 een huis met 8 deuren / vensters van zijn schoonvader en ging dus in een luxe huis wonen, maar moest ook belasting betalen.
En zo verhuisde de familie Kamp in 1941 met koets en karren
[13]
[14]
[15a]
Tot in de 16e eeuw was de kist het belangrijkste meubelstuk
in huis. Het speelde een voorname en veelzijdige rol, allereerst als
bergmeubel, maar ook als zitmeubel. De opbergruimte zat onder de
opklapbare zitting. Van alles werd in kisten bewaard, niet alleen
kleding, linnengoed en boeken, maar ook geld, kostbaarheden en voedsel.
En zelfs werden er mensen in opgeborgen zoals Hugo de Groot en
‘’naakte minnaressen’’. De heer des huizes of de eregast had recht op de
kist als zitplaats, zeker als zijn minnares in de kist zat. Zal dat ook
het geval geweest zijn bij mijn voorvaderen ? Men had weinig losse kasten, maar bijna iedereen had een ‘’tresoor’’ te vergelijken met ons huidige dressoir (de namen lijken ook erg op elkaar). De ‘’tresoor’’ stond ook wel midden in het vertrek. In vroegere tijden was een goed gevulde linnenkast de sieraad van de huisvrouw. Zij waren bij de gegoede burgerij gevuld met diverse soorten (linnen)goed in grote aantallen zoals 100 servetten, 100 lakens, 50 halsneusdoecken, 50 sackneusdoecken, 150 hemden en onderhemden.
Klik op de afbeelding hierboven om de afbeelding in detail te bekijken.
Bron : Thuis in Europa / Wonen, eten en kleden in Europa van 1500 tot 1800, Raffaella Sarti
[16] ‘’Tussen 1500 en 1800 was in de huizen van de middenklasse het bed het kostbaarste voorwerp. Een eenvoudig bed had een waarde van 15 tot 20 gulden, een gedecoreerd bed met baldakijn kon een waarde hebben van honderd gulden. En dan te bedenken, dat een arbeider ongeveer 5 gulden per week verdiende en een winkelier in goeden doen kon voor duizend gulden een huis kopen, dat overeenstemde met zijn status. Uit nalatenschappen van armen blijkt, dat het bed 15 procent van het bezit vormde, bij mensen in loondienst 25 procent en bij bedienden 39 procent.’’ In de 18e en 19e eeuw zat één derde van de waarde van het huisraad in beddengoed en ook één derde in kleding en linnengoed. Meubilair omvatte slechts één tiende deel. Maar in die tijden had men nog geen radio en TV, geen PC, geen ijskast , geen wasmachine en ga zo maar door. De meubelen en andere voorwerpen in huis en ook de inventaris van het boerenbedrijf was voor de bewoners over het algemeen van grote waarde en betekende een fikse investering bij huwelijk of na bijvoorbeeld een brand. Bij het opmaken van een testament werd dan ook vaak de boedel tot in de kleinste details beschreven. Een mooi voorbeeld hiervan is te zien in de boedelinventaris van Cornelis Schrama bij zijn overlijden in 1804 (zie Staat en Inventaris ) In de 18e en 19e eeuw zat één derde van de waarde van het huisraad in beddengoed en ook één derde in kleding en linnengoed. Meubilair omvatte slechts één tiende deel. Maar in die tijden had men nog geen radio en TV, geen PC, geen ijskast , geen wasmachine en ga zo maar door. Het ‘’kantoer’’ was een soort schrijfbureau / lessenaar, ons woord kantoor is hiervan afkomstig. Het ‘’kantoer’’ zag je niet bij de gewone burger, maar onder andere bij kooplieden, juristen, notarissen, ambtenaren en geestelijken. Verder waren er weinig mensen, die de kunst van lezen en schrijven machtig waren. De ’s Gravenmades waren dan wel welgeborenen, maar of ze ook een ‘’kantoer’’ hadden op hun boerderij vraag ik me af. Ik denk, dat ze het schrijven ‘’uitbesteedden’’ bij de notaris of de schoolmeester. Onder andere in
de late Middeleeuwen ‘vormden banken en ‘’sittens’’ de belangrijkste
zitmeubelen. Er waren lange banken met en zonder leuning, maar ook
éénpersoons bankjes (scabel, schemel of benckesken genaamd). '' Mensen die het zich kunnen veroorloven hebben een ‘’strijcsitten’’. Het is een bank die meestal bij de schouw staat want daar kan hij het beste dienst doen – hij heeft n.l. een omklapbare rugleuning, en door de leuning om te klappen kun je met je gezicht of met je rug naar het vuur gekeerd zitten. Op de ‘’strijcsitten’’ een schapevacht en een ‘’sittencussen’’. Je hebt er met
bijbehorende voetenbank.'' De eenvoudige burger had een simpele bank gemaakt van een plank met vier poten. Een ‘’sitten’’ was een troon, een deftige zetel met arm- en rugleuningen of een zitbank met leuning. Het onderste deel van een ‘’sitten’’ was vaak weer in kistvorm met een deksel. Ook veel gebruikt werden de ‘’driestaelen’’, kleine stoeltjes met drie poten met en zonder rugleuning. Naast diverse soorten zetels kende men ook de ‘’prekestoel’’,een opklapbare vouwstoel die men ook meenam naar de kerk waar geen zitplaatsen waren voor de ‘’gewone man’’. De ’s Gravenmades waren welgeborenen en daar hoort een eigen zitplaats in de kerk bij, vind ik. Mijn ouders hadden een eigen plaats vrij vooraan in de kerk met een klepje, zacht bekleed, om op te knielen. Dat kwam je verder naar achteren in de kerk niet tegen, dan lag je met je blote knieën op het hout. Ik voel het nog en ik was het gauw zat en moest dan heel nodig plassen of werd weer misselijk. In de late Middeleeuwen stond het bed van de huisheer en zijn vrouw dikwijls in de woonkamer, dat zal wel te maken gehad hebben met de vaak enige haard in huis in de woonkamer. Men onderscheidde ‘’beddestede’’ en ‘’koetse’’. De beddestede was een bed, maar dan met gordijnen omgeven en stond op een soort podium vrij hoog van de grond tegen tocht en vocht. Men moest er vanaf een bankje ‘’inspringen’’. [17] Vanwege de kostbaarheid van de gordijnen van fluweel, wol of zijde werd een dergelijk bed vaak aangetroffen in de ontvangstruimte, waarmee het bed een pronkrol kreeg. Minder vaak kwam de ‘’koetse’’ voor, te vergelijken met ons ledikant. Men sliep onder lakens en dekens en had een ‘’stave dair men die bedde mee warmt’’ (beddepan). Ik denk, dat de Schrama’s lekker van die ouderwetse (ingebouwde) bedsteden hadden met een warme beddepan en hopelijk een warm wijf. Ook had men in huis kamerschermen tegen kou en tocht en vuurschermen tegen de directe hitte van het vuur. In de late Middeleeuwen kende men nog geen vloerkleden, de vloeren waren van houten delen die vaak met zand bestrooid werden. Het haardvuur diende niet alleen als warmtebron, maar was ook vaak de belangrijkste lichtbron. Daarnaast waren er kandelaars met kaarsen, blakers, olielampen en lantaarns. Een bekende olielamp was de ‘’snotneus’’ die zijn naam dankt aan de voortdurend druipende pit. Maar de woning bleef toch duister. Praktisch elk huishouden had afbeeldingen aan de muur, de rijken voornamelijk schilderijen en de middengroep schilderijtjes en prenten. Vooral de boeren en de rijke stedelingen hadden grote hoeveelheden aardewerk, tot honderd stuks toe. Circa 25 procent van de boeren bezaten boeken, maar niet meer dan een zevental stuks, de rijken hadden er ‘’maar’’ een dertiental. Ook mijn ouders, beide van boerenafkomst, hadden weinig boeken en ik heb ze zelden of nooit een boek zien lezen behalve hun kerkboek. De preekstoel en de tresoor raken uit de mode in het begin van de 18e eeuw. In de mode komen de latafel, in- en uitschuifbare tafels, het buffet en thee- en schenktafels alsook glazenkasten, tinnenkasten en porseleinkasten. In die tijd doet Delfts Blauw zijn intrede, voornamelijk bij de middenklasse en de boeren, terwijl bij de rijken porselein zijn intrede doet. Aan het eind van de 17e eeuw heeft een meerderheid van de boeren (60 procent) boeken in huis. Toch hebben boeren vaak nog alleen de bijbel in huis. In 1679 wordt door een boer het zakhorloge geïntroduceerd en spoedig daarna verschijnt het ook bij de stadsmensen. Tot het midden van de 18e eeuw is het voor de rijken. In de tweede helft van de 18e eeuw volgt de tweede boer en daarna gaat het snel. Aan het einde van de 18e eeuw heeft op het platteland en in de stad ‘’1 op 2’’ een zakhorloge. Mijn vader droeg altijd een zakhorloge, of eigenlijk een vestzakhorloge met ketting. Aan het einde van de 17e eeuw, in 1686, is er een tweede noviteit : de klok bij een rijke patriciër. Al na circa 10 jaar is een boer de tweede bezitter. Boeren schaffen de klok massaal aan. Na de dood van Laurens Jorisz. ’s Gravenmade in 1732 is er boelhuis en wordt er een klok verkocht voor negen gulden en negen stuivers, het zal wel een heel mooi exemplaar geweest zijn voor die prijs. De stedelingen
blijven deze keer sterk achter, zelfs tot het einde van de 18e
eeuw. Voor de boeren was de klok bijzonder handig om te zien of het ‘’melkenstijd’’
is en op het platteland was er geen stadsomroeper en geen torenklok. [1] Bron : De Duin- en Bollenstreek in caert gebracht, J.J.J.M. Beenakker [2] Bron : 750 jaar kerk in Hillegom, J.J.J.M. Beenakker [3] Bron : Lisse op de grens van droog en nat, J.J.J.M. Beenakker [4] Bron : Hillegomse Geschiedenissen, A.M. Hulkenberg [5] Bron : ‘t Vermaaklijk Hillegom, A.M. Hulkenberg,uitgeverij Repro-Holland, Alphen a/d Rijn, 1972 [6] Bron : Heemstede in de historie, Leven, werken, handel en koehandel in de woonplaats van Emece, mr. JW Groesbeek [7] Bron : Holland rond 1840, K. van der Wiel [8] Bron : Boerderijen in Zuid-Holland, J. Verheul
[9a]
Bron : Aards Geluk,de
Nederlanders en
hun
spullen
van
1550
tot
1850,A. Schuurman e.a.,uitgeverij Balans, Amsterdam [10] Bron : Op zoek naar het historisch interieur, M.Zeilmaker [11] Rijnlandse morgen = 0.8516 hectare [12] Bron : Thuis in Europa / Wonen, eten en kleden in Europa van 1500 tot 1800, Raffaella Sarti [13] Bron : Van haardvuur tot beeldscherm, Lunsingh Scheurleer [14] Bron :Thuis in de late middeleeuwen (Het Nederlandse burgerinterieur 1400-1535), Meischke e.a. [15a] Bron : Aards Geluk, de Nederlanders en hun spullen van 1550 tot 1850, A. Schuurman e.a., uitgeverij Balans, Amsterdam [15b] Bron : Gerardus Majella Kalender 2010 [16] Bron : Thuis in Europa / Wonen, eten en kleden in Europa van 1500 tot 1800, Raffaella Sarti [17] Bron : Op zoek naar het historisch interieur, M.Zeilmaker
[18]
Middendorp
studeerde in die tijd medicijnen in Groningen. Hij kreeg een
prentbriefkaart in handen met een afbeelding van een hut met haar
bewoners in Hollandsche Veld en zag daarin de bron van ziekte en ellende
voor de bewoners. Dit bracht hem op het idee om een fotodocumentaire aan
te leggen van de in zijn ogen mensonwaardige leefomstandigheden van de
vele hutbewoners in de noordelijke provincies. Bezoekersteller
(sinds 22-4-2007)
Deze pagina is voor het laatst bijgewerkt op 17/01/11
|
|