![]() |
||
zondag 30 mei 2010 |
![]() ![]()
|
|
Veeteelt
[1]
[2]
[3]
[4]
[5]
[6a]
In de Middeleeuwen (400 tot 1550) waren de meeste dieren veel kleiner
dan tegenwoordig en de kleuren van rundvee en paarden vertoonde een
bonte schakering. Runderen waren van belang voor de melk, de mest en als
‘’werkpaard’’ voor de ploeg. Schapen werden gehouden voor de wol, het
vlees was van minder belang. Vetmesterij van kalveren en het houden van
varkens gebeurde alleen voor eigen gebruik, sommige veehandelaren deden
aan vetmesterij. Over het aantal stuks vee in de Middeleeuwen is weinig
bekend. De boeren
woonden nogal eens ver van het land waar zij de koeien molken, gras
maaiden en hooiden. Een ‘’duinboer’’ had vaak grasland in de polders
grenzend aan de westkant van de huidige Haarlemmermeer. Schrama’s
waren nogal eens duinboeren en hadden land in de polders zoals blijkt
uit notariële akten. [7a] Zieke koeien werden vroeger de duinen in gedreven. Zij kwamen na een poosje weer gezond terug dankzij de homeopathische kruidenwinkel die ze iedere dag mochten leegsnoepen. [7b] In de weilanden ontstonden ‘’pestbosjes’’ of ‘’koebosjes’’ waar vee werd begraven dat was getroffen door de runderpest. Die plekken werden omgeven door een ringsloot waardoor gezond vee er niet kon komen en er bosjes konden groeien. [8a] De bescherming en verzorging van smakelijk wild is een eeuwenoude parallel van de veehouderij. Zo kocht de stad Haarlem in 1608 het ‘’recht van Zwanendrift’’ (drift=drijfjacht) in alle grachten en vijvers van Haarlem. De zwanen werden nadat ze bijgevoerd en verzorgd waren opgegeten. Zwanen en reigers werden in die tijd nog gegeten. In Lisse had je een straat genaamd ‘’de Zwanendreef’’ en een boerderij genaamd de ‘’Zwanendrift’’. In de 18e eeuw werd de veehouderij verschillende malen getroffen door de gevreesde runderpest, de veestapel decimeerde. Men wist niets over het besmettingsgevaar, beesten werden niet afgemaakt en de pest stak steeds weer de kop op. Veeartsen waren dun gezaaid, de boeren hadden voor hun zieke vee meer vertrouwen in de hoefsmid. De hoge prijzen voor de melkproducten op de markt wogen niet op tegen de kosten voor het weer op peil brengen van de veestapel. [8b] De veehouderij in Lisse werd in de 18e eeuw drie maal getroffen door de runderpest. In 1769 sloeg de ziekte hard en snel toe. Tussen half mei en eind september is ruim 40 procent van het vee aan de pest bezweken. Dit betekende een ramp voor Lisse. [8c] In de 19e eeuw moest een boer in zijn eigen arbeidsbehoefte voorzien als zijn bedrijf kleiner was dan tien hectare en er minder dan zes koeien waren. Als er niet genoeg ‘handjes’ waren in het gezin (kinderen en inwonende familie) moest er arbeidskrachten ingehuurd worden. Dat kon zijn in de vorm van dienstmeiden en knechten met een contract en / of tijdelijke arbeidskrachten, vooral uit Duitsland, inhuren voor de piektijden bij het binnenhalen van het hooi en als de tarwe rijp was om te oogsten. Zie >>>>>>>> Beroepen voor meer informatie over de tijdelijke arbeidskrachten. In die tijd was het gewoon als pubers of zelfs kinderen op tienjarige leeftijd ‘in dienstbetrekking’ gingen. Ze werden ingezet voor licht werk zoals het hoeden van de schapen. Overdag moesten ze tussen de bedrijven door stro in de stallen en plaggen in de schapenhokken brengen om daarmee de hoeveelheid mest te vergroten. En als ze geluk hadden mochten ze in de wintermaanden terug naar hun ouders en naar school. Behalve kost en inwoning, een paar klompen en een broek of schort kreeg deze jongste lichting een loon van 12 tot 20 gulden per jaar. [9] ‘’ In Holland waren in 1840 grote boerderijen waar men twintig,dertig en soms wel veertig koeien melkte en daaruit kazen van zeer goede kwaliteit maakte. Deze boeren verbouwden zelf geen voedsel – dat kochten zij op de markt – en beschikten soms over een formidabel kapitaal. Alleen al het talrijke vee, de kapitale boerderij en de zeer dure grond vertegenwoordigden al een fortuin. De Hollands – Friese melkkoeien waren bovendien van een zeer goede kwaliteit, mede dankzij de uitstekende voeding bedroeg de jaarlijkse melkgift gemiddeld zo’n 2.500 liter, terwijl men elders (buiten de Nederlandse kustprovincies en Vlaanderen) niet boven de 1.500 liter uitkwam.’’ Rond 1840 had in Holland de ‘’superboer’’ 45 tot 125 koeien. De grotere boer had 15 tot 40 koeien, een tiental varkens, 10 tot 20 schapen en enkele paarden. Kleinere boeren hadden 6 tot 10 koeien. Een koe kostte rond 1840 van 40 tot 165 gulden in Holland. Cornelis Schrama boerde rond 1800 in Hillegom en kan, blijkens de boedelinventaris bij zijn overlijden in 1804, gerekend worden tot de grotere boeren. De 19e eeuw was een goede tijd voor de veeteelt, alleen in 1866 was er weer de veepest. De gevolgen waren groot, want de regering deed half werk bij de inentingen en de boeren werkten tegen. Tot aan de WO II werd in Haaksbergen een
tweewekelijkse biggenmarkt gehouden. Het was er altijd een drukte van
belang want tegelijkertijd was er vlakbij de warenmarkt.
Deze foto is rond 1936
gemaakt. [10] ‘’ In de duinen hielden de boeren ook vee, in ieder geval schapen en geiten. Die zijn niet zo kieskeurig wat hun voedsel aangaat en konden altijd wel wat van hun gading vinden. En op de betere stukken grond, waar wat gras groeide, werden ook wel een paar koeien gehouden.’’
Bron : het boek ''Van Marke naar Maatschap, 150 jaar landbouw in
Haaksbergen''.
Bron : het boek ''Van Marke naar Maatschap, 150 jaar landbouw in
Haaksbergen''.
Op onderstaande foto is
goed te zien dat er flink wat ''handjes'' van meiden en knechten nodig
waren om dagelijks de melk te ''verzamelen'' toen er nog geen
melkmachines waren.
De knechten en meiden aan het melken in het land bij een
boerderij in Weidum (Friesland). Hildebrand schreef in zijn ‘’Camera Obscura’’ over de boerin : ‘’De bestemming der Noordhollandse boerin, als zodanig, is kezen, kezen, altijd kezen, is bestendig te zorgen dat de melk die ’s ochtends en ’s avonds na ‘’melkerstaid’’ wordt binnengebracht, de deur niet uitga dan in de gedaante van goede, gezonde en niet barstende kaas. En dat geeft haar dagelijks zoveel werk, dat men niet weet hoe zij de tijd vindt om kinderen te krijgen. Nochtans krijgt zij ze in grote menigte.Maar ook, als het ‘’puppie’’een dag of drie door de buren is ‘’gekeken’’, verlaat zij de kraamkamer alweer, en begeeft zich ogenblikkelijk aan de kaastobbe’’. Een
ander gezegde luidt : ''Een vrouwenhand en een paardentand staan nooit
stil''.
‘’Het hoogst aangeschreven staan zijn beesten en daarna zijn vrouw. Want als zijn beesten sterven, kost de inkoop van andere geld; een vrouw is om niet terug te vinden en brengt mogelijk nog wel een stuivertje mee. ‘’ Over de ‘’landman’’ bestaan ook versjes : ‘’Ik ben een
boer, ‘’Hoe genoeglijk
rolt het leven, Over het algemeen hadden de boeren in de loop der tijden ondanks de diversiteit aan producten een ‘’beperkt bestaan’’. Misschien verdienden ze wat bij door te ‘’strandjutten’’. De Schrama’s woonden niet ver van het strand en in slechte tijden mag alles wat verboden is. Maar voor de boer zonder bijverdiensten was de grond schraal en het was of te nat of te droog. De landbouwopbrengsten waren laag door een tekort aan mest, slechte grondbewerking en de geringe trekkracht van dieren voor de ploeg. En er waren altijd die ‘’verrekte konijnen’’ (zie konijnen ).
Mijn
Oma Schrama had indirect ook met veeteelt te maken. [1] Bron : De Duin- en Bollenstreek in caert gebracht, J.J.J.M. Beenakker [2] Bron : 750 jaar kerk in Hillegom, J.J.J.M. Beenakker [3] Bron : Lisse op de grens van droog en nat, J.J.J.M. Beenakker [4] Bron : Hillegomse Geschiedenissen, A.M. Hulkenberg [5] Bron : ‘t Vermaaklijk Hillegom, A.M. Hulkenberg, uitgeverij Repro-Holland, Alphen a/d Rijn, 1972 [6a] Bron : Heemstede in de historie, Leven, werken, handel en koehandel in de woonplaats van Emece, mr. JW Groesbeek
[6b]
Bron : Jaarboek CBG 2008 ‘’Genealogie en
de Canon deel I’’,
[7a]
Bron : Lezen in het duin, Gert Baeyens en Jaap Duyve,
[7b] Bron : Blauwe ader van de Bollenstreek, 350 jaar Haarlemmertrekvaart-Leidsevaart 1657-2007
[8a]
Bron : Lezen in het duin, Gert Baeyens en Jaap Duyve,
[9] Bron : 150 jaar Noord-Holland en Zuid-Holland, 1990, Stichting Hollandse Historische Reeks, den Haag [10] Bron : Loosterweg 1,2,3 door Hans van de Reep
Naar boven
|
Deze pagina is voor het laatst bijgewerkt op 05/30/10